Everzwijn    ♦    Sus scrofa
Linkermuisklik om de afbeeldingen te vergroten en te verkleinen.
Het wilde zwijn of everzwijn heeft een zeer groot verspreidingsgebied.   Het komt in de regenwouden van IndonesiŽ voor, maar ook in ons land. Onze huisvarkens stammen af van de wilde zwijnen.   Als je een varken en een wild zwijn met elkaar vergelijkt, zul je zien dat ze best veel op elkaar lijken.   Het meest opvallend is natuurlijk dat ze allebei een grote platte snuit hebben, waarmee ze in de grond kunnen wroeten. Het everzwijn komt voor in de bossen van Noord-Afrika en Europa. In BelgiŽ zijn de Ardennen de plaats waar we de meeste wilde zwijnen aantreffen.
Everzwijnen leven voornamelijk in open bos, zijn gek op modderbaden en zijn dan ook vaak in de buurt van modderpoelen te vinden. Wilde zwijnen zijn alleseters.   Al wroetend en gravend speuren ze in de bosbodem naar knollen en wortels van planten.   Verder eten ze graag gras, jonge blaadjes, paddestoelen, eikels, kastanjes, beukennootjes en bosvruchten.   Het dierlijk voedsel dat wilde zwijnen tot zich nemen bestaat onder meer uit insecten, regenwormen, slakken, muizen en jonge konijnen.   Wilde zwijnen zijn goede opruimers, want ze eten ook de dode dieren (kadavers) in de bossen op. De meeste wilde zwijnen leven alleen of in kleine groepen (rotten).   In het najaar zoeken de mannetjes (beren, evers of keilers) en de vrouwtjes (zeugen, zoggen of baggen) elkaar op om te paren.   Ongeveer vier maanden later worden de jongen (biggen of frislingen) geboren in een ondiepe kuil (leger).   De binnenkant van de kuil is bedekt met gras, mos en zachte delen van planten.   Boven de kuil hangt vaak een dak van takken.   Het aantal biggen kan variŽren van ťťn tot twaalf per worp.   Als de kleintjes net geboren zijn, hebben ze een mooie geel/bruin gestreepte vacht.   Na ongeveer vier maanden zijn de strepen verdwenen en hebben de biggen eenzelfde bruin/grijze vacht als hun ouders. Omdat wilde zwijnen in de winter extra dik behaard zijn, hebben ze niet zo snel last van de kou.   De haren zijn in de winter veel langer en veel donkerder dan in de zomer.   Bovendien zit er onder die lange, donkere haren een dikke, taaie ondervacht.   Daaronder zit ook nog eens een flinke laag spek.   Als het lente wordt, vallen de winterharen uit.   Daarvoor in de plaats komen kortere haren, die een stuk lichter van kleur zijn.